PO’s

Kunnen Kant en Sartre ons helpen in de beslissing over prenataal testen?
PO van Anja

In maart van dit jaar maakte de minister van Volksgezondheid bekend dat zij overweegt om de mogelijkheden voor prenatale screening uit te breiden met de zg. NIPT-test. Deze test, gericht op het in een vroeg stadium van de zwangerschap opsporen van o.a. het syndroom van Down zal, als het aan de minister ligt aan alle zwangere vrouwen aangeboden worden  vanuit de overweging dat “mensen een vrije keuze moet worden geboden waar dat kan”. Tevens geeft de minister in deze brief aan dat ook het recht op niet willen weten wordt gerespecteerd: “niemand kan immers voor een ander bepalen of screening wel of niet wenselijk is”. Dit (niet te vermijden) aanbod dwingt je als zwangere vrouw om te beslissen of je deze test wel of  niet laat uitvoeren.

 Mijn vraagstelling luidt: kunnen de opvattingen van Kant en Sartre over vrijheid en autonomie behulpzaam zijn bij het nemen van deze onontkoombare beslissing? Immers je kunt niet niet kiezen: je moet een besluit nemen.

Het begrip autonomie
Het begrip autonomie is volgens de begrippenlijst in het lesboek “Cogito” te vertalen met “zelfbepaling, onafhankelijkheid, zelfbestuur”, Van Dale   geeft o.a. als verklaring “onafhankelijkheid van de geest en van de mens als geestelijk wezen” en vertaalt het Griekse “autonomia” met “de vrijheid om de eigen wetten te volgen, onafhankelijkheid”. Volgens deze omschrijvingen beschikt de mens over vrijheid en kan hij in onafhankelijkheid zichzelf bepalen.

Autonomie volgens Immanuel Kant
De mens onderscheidt zich volgens Kant (1724-1804) van het dier omdat hij niet alleen leeft in “een rijk van de natuur”, maar ook in een rijk van de rede: hij kan denken, keuzes maken, wikken en wegen. Wie zijn vrijheid ontkent, ontkent zijn menselijkheid . We zijn dan wel vrij om te kiezen, maar dat maakt ook dat we, zeker in geval van morele dilemma’s, een leidraad nodig hebben om te bepalen wat een goede keuze is: zomaar wat doen, is niet aan de orde. Volgens Kant moet het uitgangspunt bij elke morele keuze de intentie zijn: de goede wil, het enige dat onvoorwaardelijk als goed kan worden beschouwd.  Als mens behoor ik vanuit mijn goede wil het juiste te doen. Ik kan niet in de toekomst kijken, dus uitgaan van de (mogelijke) gevolgen van mijn keuze is geen optie, ook de handeling op zich is geen rechtvaardiging van de keuze. De categorische imperatief is behulpzaam om de beslissing te nemen: ga uit van de intrinsieke waardigheid van de mens, behandel mensen dus nooit als een middel, maar als een doel én handel zo dat je de maxime (de regel) van je handeling als een algemene wet kunt willen. Onze vrijheid wordt, zo lijkt het in eerste instantie, door Kant ingeperkt, maar voor Kant geldt dat autonomie in ultieme zin de vrijheid geeft om eigen wetten te volgen. Dus geen inperking van de menselijke vrijheid, maar juist het vormgeven van je autonomie door het stellen en volgen van je eigen regels waarvan je kunt willen dat iedereen ze volgt.

Sartre
Voor Sartre (1905-1980) als existentialist  speelt het begrip vrijheid een fundamentele rol. Kenmerkend voor het menszijn is het zich bewust zijn van het bestaan (être-pour-soi), daarin onderscheidt de mens zich van de natuur (être-en-soi), en hierin ligt de menselijke vrijheid besloten, met andere woorden: mens-zijn = vrijheid. Mensen geven hun leven betekenis . Maar dat wil volgens Sartre niet zeggen dat de mens niet gebonden is aan zijn omgeving, tijd en omstandigheden. Daarin liggen beperkingen (de mens is gesitueerd), maar de vrijheid van het bewustzijn is onbeperkt: jij bepaalt welk betekenis je geeft aan de omstandigheden, hoe je ze ervaart en welke keuzes je maakt. Aan de vrijheid valt niet te ontkomen. Sartre voegt hieraan toe dat als je je vrijheid en de verantwoordelijkheid voor je eigen keuzes ontkent, je “te kwader trouw aan je mens-zijn bent” .

Conclusie
Wat kunnen deze opvattingen van Kant en Sartre over het begrip autonomie betekenen voor de individuele zwangere vrouw die als een vrij en autonoom individu een beslissing moet nemen. Allebei zien ze de mens als een op zichzelf staand wezen, een “individu in zijn eentje”, niet als een wezen dat sociaal bepaald is en in verbinding leeft met en onderdeel is van een groter geheel. Zoals Sarte zegt: “wij zijn alleen, zonder excuses. Dat bedoel ik wanneer ik zeg dat de mens gedoemd is om vrij te zijn”. 

Kant geeft aan dat het besluit moet zijn ingegeven door de intentie het goede te doen, want “nergens ter wereld , of zelfs daarbuiten is iets denkbaar dat onvoorwaardelijk als goed kan worden beschouwd , behalve een goede wil” ? Ook bij hem sta je er alleen voor en hoe zeker kun je zijn dat je beslissing echt vanuit een goede wil is voortgekomen?

Voor mij betekenen deze zienswijzen een bewustwording van mijn mogelijkheden om mij niet door anderen te laten bepalen én mijn verantwoordelijkheid voor mijn keuzes. Maar terwijl Sartre mij bijna overspoelt met een gevoel van eenzaamheid voel ik me door Kant tenminste nog enigszins gesteund en getroost door het houvast dat hij me biedt als ik mijzelf grondig bevraag op mijn motieven en ik in alle oprechtheid kan zeggen dat ik vanuit mijn goede wil heb gehandeld, waarbij hij mij ook niet “afrekent” op de gevolgen, integendeel!

Maar de overtuiging van beiden dat je er als individu geheel en al alleen voor staat, deel ik niet. Ik denk dat de (meeste) mensen deel uit maken van een groter geheel, waarin ze zich begrepen en gesteund voelen, juist ook in het moeten nemen van een zware beslissing.

Kortom de ideeën van Kant en Sartre maken mij bewust van mijn individuele verantwoordelijkheid en mijn plicht tot kiezen, maar ik sta er, als deel van een groter geheel, niet alleen voor.

Bronnen:
Brief minister van VWS aan de voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 1 maart 2016, getiteld: stand van zaken prenatale screening (kenm 866936-143685-PG) Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal, 15e dr. Dl 1, pag 290, 1e kolom.
Het oog in de storm; handboek, dl 2, pag. 39 Cogito, pag. 54.
Het existentialisme, aldus Sartre, definieert de mens alleen met betrekking tot zijn handelen. Uit: Het oog in de storm, dl 2, pag. 53 Het oog in de storm, dl 2, pag. 53 Cogito, pag. 30 hand-out lesstof 13 januari 2016.
citaat opgenomen in “Het oog in de storm”, dl 2, pag. 53 Cogito, pag. 54


PO van Antoinette (over Facebook)

Inleiding Tijdens het blok ethiek heb ik kennis gemaakt met Aristoteles’ deugdethiek. Sindsdien begint de filosoof zich als vanzelf te bemoeien met wat ik zie, steeds wanneer ik op facebook (FB) ga.

facebook Ik ben geboren in 1964, groeide dus op zonder computer of smartphone. Eigenlijk ben ik pas sinds 2012 actief op de sociale media, op aanraden van mijn baas, in de verwachting zo beter te kunnen communiceren met de doelgroep jongeren van MEE. Mijn oudste FBvrienden zijn dan ook mijn (licht) verstandelijk beperkte “cliënten”. Inmiddels zijn familie, vrienden en kennissen uit mijn 52-jarige leven toegevoegd, zodat het een bonte verzameling geworden is. Al even divers zijn de berichtjes vol emoties, interesses en bezigheden die op mijn tijdlijn voorbij flitsen. Soms is het doel overduidelijk en zakelijk: het huis moet verkocht worden of er is een huwelijk aanstaande. Er wordt mij een gunst gevraagd: geld voor een sponsorloop  of poes is zoek en alle buurtbewoners wordt verzocht hun schuurtje na te kijken. Ik moet een bericht op mijn tijdlijn delen, omdat ik anders niet deug of omdat mijn FBvriend iets wil winnen. Er staat een vriend vreselijk voor schut en dat is zo leuk dat de rest er naar moet kijken. Lief en leed wordt gedeeld: vrienden zijn boos, verontwaardigd, blij of verdrietig en willen stoom afblazen, troost zoeken of hardop juichen. Zij zijn trots op hun kinderen of hebben iets nieuws gekocht.   Tijdens het scrollen blijf ik zo nu en dan hangen op een bericht waarvan ik schrik of waar ik me aan erger.  Het lezen ervan geeft me een ongemakkelijk gevoel: “Hoe kun je dit nu plaatsen, wat bezielt je?”, of “Schaam je!”, denk ik dan. Zoals zo vaak, zegt dit meer over mijzelf dan over mijn FBvrienden en het geeft stof tot nadenken over de berichten die ik zelf kennelijk goed genoeg vind om te posten.

Vraagstelling Zodra ik overweeg een bericht te plaatsen, begint het wikken en wegen: “Heeft iemand hier überhaupt  interesse in?”, “Hoe komt de boodschap -en hierdoor ikzelf-  over?”.  Ik ga bedachtzaam te werk en heb nog nooit impulsief iets gedeeld. Hoe komt het dat uiteindelijk het ene bericht wel op mijn tijdlijn verschijnt en het andere niet door de beugel kan? Ik doe dat intuïtief, maar sinds er flarden van de Aristoteles’ deugdethiek door mijn hoofd spoken tijdens het bekijken van FB, wil ik een poging wagen om beter te doordenken of de deugdethiek mij ook kan helpen bij het plaatsen van berichten. De vraagstelling van mijn p.o. is dan ook geworden: -Kan de deugdethiek mij helpen een afweging te maken of ik een bericht juist wel of beter niet kan plaatsen op FB?

Aristoteles De vragen waar het in de deugdethiek om draait is: “Hoe moet ik leven” en “Wat is een goede levenshouding”? Volgens Aristoteles is een deugd een houding die ons in staat stelt om juist te handelen, overeenkomstig het belang van de gemeenschap. Deugden maken op zichzelf niet direct duidelijk hoe we in actie moeten komen, maar verwoorden de goede karaktereigenschappen waarmee een mens in staat is om het juiste midden te kiezen tussen twee uitersten: twee negatieve eigenschappen, waarvan één het tekort van de deugd is en de ander de overvloed.  Door opvoeding, de kunst af te kijken en veel te oefenen, kan iemand een deugdzaam en gelukkig  mens worden, die geprezen wordt door de morele gemeenschap (hier opgevat als FB) waar hij deel van uitmaakt.

Community Ik ben niet al te kieskeurig geweest bij het accepteren van vriendschapsverzoeken, met het gevolg dat mijn FB gemeenschap bestaat uit allerlei kleinere sociale netwerken, onder wie collega’s,  de “cliënten” uit de wijk, mijn Scoutinggroep, buurtagenten en oude tantes. Mijn sociale positie verschilt per groep en ik ben me bewust van de sociale rollen die ik heb, met -per netwerk- bijbehorende verwachtingen, voorschriften over mijn gedrag, handelen en attitude. Graag wil ik gezien worden als iemand die betrouwbaar en verstandig is (collega’s), respectvol en behulpzaam (cliënten), beslist ook vriendelijk en actief (Scouting) en welgemanierd (oude tantes).  Door vriendelijk te zijn, verwacht ik binnen mijn Scoutinggroep vriendschap terug. Met mijn cliënten mag, kan en hoeft het niet zo amicaal en ik zou eerder willen dat zij aan mij denken als iemand die op een respectvolle toegewijde manier een poosje mee kijkt in hun leven. Zo hoop ik dat zij op hun beurt waardering op kunnen brengen voor mij en mijn -vaak ongevraagde- adviezen en hulp. Verder hoop ik dat mijn oude tantes mij zien als iemand die welopgevoed is, omdat zij zelf zo gedistingeerd en attent zijn. Bij mijn beste vrienden hoef ik me weer niet steeds heel wellevend te tonen, op mijn beurt kan ik het ook van hen hebben als ze uit de band springen.

Waar ik in “het echte leven” nooit op één moment bij alle netwerken tegelijk in beeld kan zijn, is dit op FB wel het geval ,omdat ik daar mijn vrienden niet in groepen ingedeeld heb. Dit maakt het opstellen van een bericht complex.  Zo zie ik bij het uitzoeken van foto’s en gebeurtenissen onmiddellijk welke ondeugden er dreigen voor welke categorie:  te veel bloot en aan de wijn, waardoor ik losbandig in plaats van bezonnen over kan komen op collega’s. Mijn huiskamer pontificaal in beeld, waardoor het te intiem wordt om te laten zien aan mijn cliënten; tot hen wil ik de juiste afstand bewaren. Of uitbundige luxe: met zulke plaatjes steek ik de ogen uit van mijn FBookies in de schuldsanering. Al zal mijn schoonvader het met genoegen beschouwen als teken dat het goed gaat met zijn kinderen. Na kort innerlijk beraad ga ik op zoek naar een gematigder fotovariant of ik plaats de gebeurtenis niet. Ik probeer daarnaast nog een andere gulden middenweg te bewandelen: ik wil niet overdreven veel berichtjes plaatsen en aandacht opeisen, maar ook niet te weinig, anders lijkt het alsof ik slechts aan het loeren ben, zonder in ruil daarvoor iets van mijzelf prijs te geven.   Wat resteert, nadat ik voor alle netwerkjes zo goed mogelijk vanuit het midden voor de dag gekomen ben, kan door de beugel: mijn berichten verschijnen met enige regelmaat en zijn een toonbeeld van deugdzaamheid. Zie de bijlage; ik kan gezien worden als actief (1), betrokken bij mijn werk (2), behulpzaam naar buurtbewoners (3) en ik houd mijn ouders in ere (4).  Er is geen ondeugd te bespeuren en ze geven blijk van een goede wil.

Conclusie en overweging -De deugdethiek kan mij  helpen een afweging te maken over welk bericht ik juist wel of beter niet op FB zal plaatsen. Ik begrijp sindsdien ook beter hoe mijn beslissing tot stand komt.  -Nu ik al mijn berichtjes achter elkaar gecheckt heb, valt me iets op. Gematigdheid en voorzichtigheid zijn als deugden te herkennen, maar er dreigt iets: de berichten zouden evengoed afkomstig kunnen zijn van een ietwat kneuterig of saai persoon, zonder veel sjeu. Wil ik wel zo gezien worden door mijn FBvrienden? Welke deugd is in het geding? Wat is het juiste midden?   -Zoals zo vaak is met het beantwoorden van een vraag nieuwe twijfel ontstaan.

Bronvermelding -Eva-Anne Le Coultre, Ik denk / Cogito. Inleiding in de filosofie, Diemen 2014, 7e druk – Definitie deugden. Geraadpleegd op 20-05-2016 via https://www.ensie.nl/paul-van-tongeren/deugden – Definitie sociale rollen, Geraadpleegd op 20-05-2016 via https://nl.wikipedia.org/wiki/Sociale_rol -L. Eggink, Handout  Aristoteles/ sheets lessen filosofie deugdethiek. VAVO, leerjaar 2015-2016 – Facebook, mijn eigen pagina. Geraadpleegd op 20-05-2016 via https://www.facebook.com/ – Uit: Gerrit van der Meulen, Pieter Vos en Wilma van der Jagt, Dat doet deugd. Praktijkboek morele vorming voor het voortgezet onderwijs, Zoetermeer, 2010. Geraadpleegd op 20-05-2016 via http://www.corvanderleest.nl/wp-content/uploads/2015/01/CvdL-Deugden.pdf


Van oorwurm tot verwijswijs

Muziek citeert de muziek uit de ideale werkelijkheid. Daarover waren de Griekse filosofen Plato en Aristoteles het eens. Waar zij het niet over eens waren, is over de manier waarop en de plek waarin die ideale werkelijkheid wordt geïmiteerd. Voor Plato was muziek een middel om te denken aan een ideale abstracte werkelijkheid. Het waar zit voor hem dus op een plek in de hersenen. Terwijl Aristoteles juist vond dat je naar de muziek moet luisteren om de imitatie van die ideale werkelijkheid te ervaren. Het waar zit in het middel, luisteren.

Die benadering waarbij de ene filosoof (Aristoteles) muziek ervaart door er naar te luisteren en de ander (Plato) juist door er aan te denken, prikkelden mij om meer te weten te komen over die melodietjes die zich tot vervelens toe herhalen in je hoofd. Want zo’n melodietje beluister je één keer, waarna je er keer op keer aan moet terugdenken. Zo’n zich steeds maar weer repeterend muziekje wordt een  oorwurm, of een cognitieve itch genoemd. In de rest van dit verhaal gebruik ik voor dit begrip gemakshalve de term oorwurm.

Het begrip oorwurm

De top 3 van die oorwurmen bestaat allereerst uit Carnaval Festival  (de Efteling) van Ruud Bos, verder uit Mahna Mahna van de Muppets en tenslotte uit Popcorn van Hot Butter. Zijn die en andere melodietjes waaraan je keer op keer onbewust moet denken anders dan deuntjes waarnaar je bewust luistert? Bestaat er een verschil tussen de muziek waarnaar je luistert en de muziek waaraan je denkt?

Kenmerkend voor een oorwurm of cognitieve itch is dat ze opgebouwd zijn in een eenvoudige muzikale structuur met een vaak onverwachte wending. Uit onderzoek blijkt dat onze hersenen zo’n oorwurm compositie niet volledig kunnen verwerken. Dat maakt dat zij het melodietje eerst willen corrigeren om het daarna op te slaan. Dat verwerkingsproces maakt dat het deuntje keer op keer in onze hersenen wordt herhaald.

Verschillende invalshoeken van denken over een oorwurm

Met behulp van dat onderzoek zou je kunnen concluderen dat Plato een punt heeft. Dat denkenderwijs herhalen van die oorwurm zou je immers uit kunnen leggen als een soort toets waarbij de hersenen het gehoorde vergelijken met het origineel uit de abstracte werkelijkheid. Aan de andere kant zou Aristoteles wel eens gelijk kunnen hebben. Want, tijdens het beluisteren van het melodietje maakten onze hersenen van het geluid wat zij hoorden muziek. Maar bij het verwerken van het gehoorde onze hersenen van zo’n wijsje een potje. Of, zo u wilt een oorwurm.

Valt de waarheid verkeerd te imiteren?

Voor Plato was muziek direct verbonden met het mens zijn. Voor Plato hoorde muziek bij het leven van alledag. Perfect was de muziek die te beluisteren viel absoluut niet. Muziek imiteert de waarheid slechts. Het imiteert schoonheid en harmonie. Dat maakt muziek, volgens Plato, daarom soms gevaarlijk. Omdat muziek een imitatie is, kan daarmee de waarheid verkeerd worden geïmiteerd. Daarmee schakelt verkeerde muziek het verstand uit. Dat maakt voor Plato dat alleen goede muziek er op gericht is om de waarheid over te brengen. Zou die uitleg juist een oorwurm gevaarlijk maken. Want juist zo’n niet helemaal makkelijk te verwerken melodietje neemt gemakkelijk je denken over. De oorwurm herhaalt zich immers ongevraagd en vraagt, smeekt misschien wel om aandacht van je verstand. Maakt dat de oorwurm tot een gevaarlijke bedrieger?

De ideale wereld zit tussen je oren!

Aristoteles bouwde als leerling van Plato verder op het idee dat muziek een soms goede en soms ook slechte imitatie van de werkelijkheid is. Daar waar de dualist Plato die werkelijkheid kon projecteren in zijn ideeënwereld, stelde dat de monist Aristoteles voor een probleem. Hij loste dit op met de redenatie dat ons denken met logica verbanden moet leggen in dat wat we waarnemen met onze zintuigen. Die redenatie zou een prima verklaring kunnen geven voor het verschijnsel oorwurm. Ons denken heeft immers moeite met het verwerken van een bepaald deuntje, omdat dat muziekje door een onverwachte wending niet makkelijk als logisch wordt ervaren. Het denken gaat de verbanden met de oorspronkelijke waarneming leggen door die waarneming keer op keer te herhalen.

Twee stemmen maar Kant gooit het op een akkoordje met een oorwurm

Emanuel Kant overbrugt na honderden jaren het verschil in de visies van Plato en Aristoteles over de manier waarop wij muziek ervaren. Volgens Kant slaat kunst een brug tussen verstand en gevoel. Door creativiteit komen rede, verstand en gevoel samen. Kant ontwikkelde een theorie om een relatie te leggen tussen onze kennis en de wekelijkheid. Volgens Kant ervaren mensen allereerst een kunstwerk. Pas daarna gaan zij op zoek naar de algemene regels. Wie die redenatie volgt bij het zoeken naar algemene regels de oorzaak van een oorwurm en vindt daarmee als vanzelf een uitleg voor het verwerkingsproces van dat deuntje in onze hersenen. Want na het ervaren, beluisteren van een deuntje, volgt de opslag van dat melodietje in ons geheugen. Rede verstand en gevoel moeten daarbij dat deuntje als opslagwaardig aanvaarden. En, omdat het deuntje gevormd is in een creatief proces lukt dat niet altijd in één keer. De onverwachte creativiteit, de voor de luisteraar onverwachte wending in het synthetische deuntje moet zich bij de luisteraar ontwikkelen tot een aanvaardbare analytische herinnering.

Conclusie

Met het redeneren over een antwoord op de vraag of je bij het beluisteren en terug horen van een oorwurm over muziek denkt (Plato) of naar muziek luistert (Aristoteles), ontstaat een zoektocht naar de manier waarop iemand kennis verwerft. Een eerste conclusie die door iedere ervaringsdeskundige wordt beaamd is dat het aantal malen dat een oorwurm zich in ons denken herhaalt eindig is. Wie er van uitgaat dat de hersenen simpelweg tijd nodig hebben om een kennelijk gecompliceerd melodietje een eigen plek te geven, grijpt daarmee terug naar de visies van Aristoteles en Kant. Met als uiteindelijk resultaat dat het herhalen stopt, het melodietje is verwerkt. De oorwurm is gelukt met het verwerken van die onverwachte muzikale wending.

Bronnen: